Volzet

Nog steeds kom ik compleet nieuwe woorden tegen bij onze Vlaamse vrienden, woorden die voor hun volstrekt normaal zijn. Ik geef eerst de korte zin, daarna de hele zin. Waarschijnlijk lukt het weinig niet-Vlamingen om de korte zin te begrijpen.

Lang op voorhand volzet (maar zeker niet van de poes)

VRTNWS

Van de poes? WTF is dat nu weer? Sorry, we gingen het over volzet hebben.

De hele kop van het artikel luidt: Lang op voorhand volzet (maar zeker niet van de poes): waarom is trailrunning zo populair? En volzet moet je hier begrijpen als volgeboekt. Volzet kan ook bezet of vol betekenen.

Ik probeer te begrijpen hoe de Vlamingen aan dit woord zijn gekomen. Ze hebben ook onvolzet. Via het Frans denk ik niet maar via het Duits zou het kunnen. Onze Oosterburen hebben voll besetzt ook geschreven als vollbesetzt, en dat betekent vollständig besetzt, volledig bezet, zoals in de voorbeeldzin ein voll besetzter Bus, een volgepakte bus.

Zou het ook oud-Nederlands kunnen zijn, een woord dat Vondel ook gebruikte. Daarvoor ging ik zoeken in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), het grootste woordenboek ter wereld waar maar liefst 147 jaren aan is gewerkt. Daar staat het in, maar niet met verwijzingen naar Vondel of andere oude meesters.

  1. Tot vollen wasdom gekomen, volgroeid, volwassen; vandaar ook: volledig, compleet.
    a.  Van personen, dieren en gewassen: volgroeid, volwassen.
    Volzet, gezegd van iets dat wel gevuld, volwassen is of zijnen vollen groei heeft,   SCHUERM. [1865-1870].
    — Elke scheut heeft … driederhande substantie, als een Bast, die zeer dun is, een Legsel van Hout-fibers, en een Pit …. Als de Scheuten vol-zet zyn, hebben de Hout-fibers van den Boom, zo by den stam als Takken, ook een geringen toezet gekregen; de Schil is ook proportioneel gedikt, dog de Pits-ruimte is ingedrongen,   in V. RANOUW, Kab. 8, 3, 31 [1721].
    Die koe is volzet (= volgroeid),   SCHUERM. [1865-1870].
    Hij staat in zyn haar, dat is te zeggen: hij is volzet,   Verz. GEZELLE [voor 1899].
    b.  Van het gebit, de tanden e.d.; vand. ook van dieren: een volledig, blijvend gebit hebbend; ook bep.: acht tanden hebbend.
    Dij koei heur tan(den) zijn volzet,   TUERL. [1886].
    De koe is volzet in de muil, als zij acht tanden heeft,   JOOS [1900-1904].
    Volzet …. Van koe of paard met 8 tanden,   GOOSSENAERTS [1958].
    Het paard is volzet,   W.B.D. l, 4, 563 b [1977].
    Volzet gebit,   W.B.D. l, 4, 563 b [1977].
    Volzette tanden,   W.B.D. l, 4, 563 b [1977].
  2. Van een ruimte en daarin beschikbare (zit)plaatsen: (heelemaal, geheel, tot de laatste plaats) bezet; (heelemaal) vol.
    —  Van veldgewassen, in de verb. volzet staan, vol staan, t.w. over de geheele oppervlakte van den akker gelijkmatig gegroeid, zonder ‘gaten’.
    Da grään stouët schoeën volzet,   TUERL. [1886].
    Die haver sta’ schoon volzet,   CORN.-VERVL. [1903].

    Bron: Instituut voor de Nederlandse Taal WNL

En er staat ook bij: (met uitzondering van 1a) alleen in Vl.-België aangetroffen. Maar dat hadden we zelf ook al bedacht.

Blijft nog wel de vraag hoe het nu ook de betekenis heeft gekregen van volgeboekt, want dat was eind vorige eeuw nog niet, anders was het wel vermeld geweest in het WNL.

Over die samenstelling niet van de poes valt ook heel veel over te vertellen maar misschien komt dat een andere keer.


Bron: Lang op voorhand volzet (maar zeker niet van de poes): waarom is trailrunning zo populair?